Ankerpunt 10 (terpstilte)

Op het erf en in de boerderij van mijn grootouders loop ik op mijn gemak rond, weet de kamers, de steile paadjes en waar ik ga uitglijden. Met enige regelmaat ben ik daar. Is het de plek die manifest blijft of zijn het de verhalen die overheersen?

Het was een boerderij op een terp die al werd bewoond in de Romeinse tijd en in de Middeleeuwen verder is opgehoogd. Gelegen in de uiterwaarden van de Maas overstroomde het jaarlijks en bood het beschutting aan agrariërs en reizigers. De plek werd de Empelse Hut genoemd, deze naam komt voor op een omgevingskaart uit 1739. Hut is een verwijzing naar een locatie die ook herberg was, in dit geval was het een poldercafé. De plek had inderdaad een schenkvergunning, mijn grootouders verkochten er drank aan boeren. Alcohol en limonade mochten niet worden geconsumeerd wat natuurlijk wel gebeurde, in de keuken.

Omsloten door velden. Ik wacht bij het stukje grond tegenover de stal op de zilveren rondjes van de Judaspenning en probeer de gladde vliesjes er heel uit te drukken, ovalen papiertjes. Ankerpunt 1 (zilvergrijs). Mijn opa geeft uitleg over ‘muur’, een kruipplantje dat overal op groeit, ik snap er niets van, het kruipt over de stoep op het grindpad en tegen de stalgevel omhoog. Ankerpunt 2 (vetplantstoep). Via de stal loop ik naar de keuken, ik ken de plattegrond uit mijn hoofd, ken de geuren. De stal met de schommel aan de balk ruikt het lekkerst, een beetje vochtig naar dieren en fruit.

De centrale ruimte in het woongedeelte maakt de meeste indruk, een grote hal met een voordeur die zelden open gaat en een weinig licht dat door twee smalle zijraampjes naar binnen kruipt. Het is er zonder geluid met deuren rondom, naar de goede kamer, de achterkamer met sprei, de diepe kelder en de warme keuken waar we altijd zitten. Ankerpunt 3 (vloerbedekkingstil). Met zijn grote hand wijst mijn opa naar de horizon over het lange aardappelveld en vertelt over de eendenkooi, het vriest, de akker is hard. Ankerpunt 4 (akkergesprek). Terwijl ik me door de jaren heen steeds bewuster word van het begrip eendenkooi, wordt het landschap van bovenaf ingedeeld door vlekkenplannen waarop rode, groene en blauwe cirkels ongemerkt mijn velden insluiten en bestemmen. Bebouwing verschijnt aan de horizon. Aan alle kanten rukken daarna huizen op, zowat naast de boerderij wordt een snelweg aangelegd. Bordjes waarschuwen voor drijfzand. Hier? Als mijn voet maar even wegzakt breekt het zweet me uit.

Mijn grootouders worden oud en verhuizen naar een nabij gelegen dorp. Er wonen alweer ruim dertig jaar andere mensen, onbekende voeten belopen mijn velden, er zijn moorden gepleegd. Toch zie ik het niet, er is niets gebouwd, er bloeien klaprozen, korenbloemen, boterbloemen en margrieten. Onderaan de terp ligt het bed met onzichtbare witlof, keer op keer komt de stralend witte groente uit de grond tevoorschijn. Aan de andere kant van het pad bevindt zich de schuur met het koele betegelde gat in het midden van de vloer. Daar weer aan vast gebouwd staat het konijnenschuurtje. Ik hang over de afgesmeerde muurtjes en kijk naar beneden de hokken in, soms bevolkt door langoren, soms zijn ze leeg. Ankerpunt 5 (konijnengeur).

Aan de achterzijde van de boerderij, halverwege de terp naast de weg staat een ruimte bestaande uit vier halfhoge ijzeren hekken, grof gemaakt van enkele buizen, oud en scheef. Nimmer staat er een koe. Het gras in deze ruimte wordt nooit gemaaid en staat daardoor hoger dan het gras rondom. Het blijkt een schutskooi te zijn. Ankerpunt 6 (menie-rood). Nog eerder, drie jaar oud, verlies ik een gouden armbandje met mijn naam op een plaatje. Ik heb het niet gevoeld. Het niet voelen van afglijdende sieraden is me altijd een raadsel. Een vlieg voel je zitten, waarom merk je niet dat je een sieraad verliest? Het wegglijden van metaal op je huid kan blijkbaar gevoelloos gaan. Ik stel me voor dat het armbandje langzaam onder de druk van lopende familieleden steeds verder in het grindpad is gezakt. Iets van mij, en mijn naam, bevindt zich nog steeds in die terp. Ankerpunt 7 (gouden armbandje).

Er was ook onzichtbaar leven in de boerderij. Soms werd er gesproken over de Joodse jongen, de Engelsen en de Duitsers. Ze hadden allen de boerderij bevolkt. Ankerpunt 8 (oorlogbewoners). De terp was een perfecte uitkijkpost, 360 graden zicht over de polder. De Amsterdamse jongen Emanuel was begin twintig en kreeg de Brabantse naam Marius, hij is een tijd gebleven. Voorafgaand aan zijn grote vlucht naar een nog veiliger oord, 2000 gulden bij zich dragend – een vermogen -, scheurden mijn grootouders een gulden doormidden, een helft voor hem en de andere helft hielden ze zelf. Ze zouden elkaar opzoeken als de oorlog voorbij zou zijn. Er is niets meer van hem vernomen, de halfverscheurde gulden bleef over. Het diepe vermoeden bestaat dat hij aan de Maas is verraden door mensen die hem zouden helpen, het blijft een pijnpunt. Ankerpunt 9 (halve gulden).

Mijn oma vertelde dat de Duitsers aardiger waren dan de Engelsen, het heeft mij altijd verbaasd, het moet de haast en de spanning zijn geweest, geen tijd voor hoffelijkheid in de vechtlinie. Een van de Engelsen daarentegen was bijzonder, de piloot John Bennett was met een parachute uit de lucht komen vallen, ze boden hem onderdak. Mijn kleine oma, slechts 1.48 m, bracht hem enkele weken later naar de overkant van de Maas. Ze fietste zelf omdat ze bang was dat hij links zou gaan rijden en zich zo zou verraden. Hij redde het, dankbrieven van de Royal Air Force en enkele brieven van hem volgden later.

De Duitsers die er verbleven herkende ik niet uit het beeld dat ik van de oorlog had. Ze waren vaak de weg kwijt, vermoeid, emotioneel geknakt en over het algemeen aardig voor mijn grootouders en de kinderen waarmee ze het eten en de snoep deelden dat ze bij zich droegen. Ze wilden niet vechten, ze wilden alleen maar naar huis. Enkelen hebben gehuild. Een soldaat werd heel agressief en draaide door, mijn oma dacht dat hij haar zou doden.

Emanuel, de Engelsen en de Duitsers hebben zeker in de keuken gezeten, die keuken waarin werkelijk alles plaatsvond, de spil van de terp, met radiocontact stel ik me voor. Kaarten moeten zijn uitgerold op de keukentafel door zowel de Duitsers als de Engelsen en ook voor Emanuel, een kleintje in een nachtelijk uur, handgetekend met zijn vluchtroute erop, hij moest de Maas oversteken maar waar naar toe? Het blijft gissen. En hoe zouden ze elkaar hebben verstaan? Duits dat is nog te herleiden, maar Engels? Handgebaren en gezichtstaal? Zelfs tussen Emanuel en mijn grootouders moet het niet eenvoudig zijn geweest. Brabants dialect is moeilijk te verstaan als je het nog nooit hebt gehoord. Maar het gegeven van de halve gulden geeft aan dat ze elkaar goed hebben begrepen en een band hebben gehad.

Later sloeg naast de boerderij een V1 bom in waarbij het kalk in de kelder van de muren sprong, mijn moeder lag er in een wagentje en bleef ongedeerd. Met die inslag eindigde deze periode. Er is weinig bekend over de oorlogsjaren als ik er mijn tantes naar vraag. Ze waren zelf te jong om het zich goed te herinneren en na de oorlog is er nauwelijks meer over gesproken. Er waren geheimen, er moet zijn samengewerkt met reddende partijen. Mijn grootouders waren ultra dapper weet ik nu, zelf krap dertig toen hen dit overkwam. Bezet door de Duitsers, geconfisqueerd door de Engelsen en zelf onderdak geboden aan een Joodse jongen en zou er nog meer zijn vraag ik me nu af. Vijf jaar is lang, de zelfvoorzienende terp was een perfecte locatie…

Onder de huidige infrastructuur ligt een roerloze polder waarin zilvergrijs, vetplantstoep, vloerbedekkingstil, akkergesprek, konijnengeur, menie-rood, gouden armbandje, oorlogbewoners en de halve gulden korte filmpjes zijn die nu en dan geluidloos draaien. Ankerpunt 10 (terpstilte).

© Karin van Pinxteren, 2 november 2013

 

Empelse Hut | Nachtportier