Ring zonder vinger

Er drijft een tientje op het meer. Zonder zich in de verte te hebben aangekondigd zweeft het plots voor mijn ogen. Ik ben alleen en redelijk ver uit de kant, verbluft beweeg ik me watertrappelend rond het fonkelende biljet dat door de zon wordt aangestipt. Ik kan het niet geloven en duik om het van onderaf te bekijken, zonnestralen schieten door het water, is het echt? Door mijn duik deint het heldere briefje aan het oppervlak. Een tientje! Een enorme en abstracte vondst in een kinderuniversum, briefgeld rouleert in handen van volwassenen. In een flits bedenk ik dat het briefje zal gaan zinken, water en papier is geen goede combinatie, en mag ik het van mezelf meenemen. Ik zwem weer omhoog en probeer het te pakken, een slap doekje ik moet uitkijken dat het niet scheurt. Uiteindelijk kies ik ervoor om het met één vinger in het midden van onderaf op te tillen, soepel komt het briefje uit het water omhoog en vouwt zich. Met de natte buit hangend aan mijn vinger zwem ik naar de kant. Zouden ze me geloven?

Mijn vondsten til ik van oorsprong op uit verlegenheid. Ik was een stoepenkijker en eigenlijk ben ik het nog. Al decennia probeer ik er vanaf te komen door onder het lopen mijn rug te rechten, vooruit te kijken, het ziet er veel beter uit, maar ik leer het niet af, ongemerkt zak ik weer in en tuur ik naar mossen, veren, bloemen, bladeren, vruchten en vogelpoep terwijl ik pieker of draal. Soms blinkt er iets, vaak een stukje haarspeld, een tasonderdeel, het lipje van een rits of een moer op het wegdek. Stoepenkijken heeft een laag schoonheidsgehalte maar het is een fijne denkmodus. Tegel na tegel, steen na steen, vijf kilometer per uur. Verlegenheid heeft ook haar fijne kanten.

Vinden gaat vlug, ongemerkt heb je het al vast en kijk je ernaar. Vijfendertig jaar geleden, in dezelfde vakantie, doe ik nog een spectaculaire vondst tijdens een bergwandeling in Frankrijk. Tussen mijn vingers houd ik een massief gouden zegelringetje omhoog, het is zo klein dat ik het met moeite aan mijn pink kan schuiven, aan de maat te zien moet het door een kindje zijn verloren. Er is niemand te bekennen en we besluiten het mee te nemen. Na de zomervakantie laat ik het ringetje op school zien en wordt door enkele klasgenootjes prompt toonverheffend uitgemaakt voor dief. Maar ik herinner me de twijfel van mijn ouders, waar hadden we het moeten deponeren? Aan gehuchten geen gebrek, maar een grote plaats ontbrak. Nog een paar keer valt het woord dief. Die kwalificatie werp ik meteen omver, ik heb het niet gestolen.

In de nasleep van mijn vondst bezit ik nu het grootste gedeelte van mijn leven een ring zonder vinger en ontferm me al jaren over het klompje goud dat ik tot op de dag van vandaag niet als mijn eigendom beschouw. Er is enkele keren geopperd om het te laten omsmelten, er een andere ring van te laten maken. Het is een verleidelijke gedachte om het onbekende familielogo om te zetten naar mijn eigen logo, maar ik kan het niet, de vinger blijft latent aanwezig. Tien jaar geleden ben ik begonnen met de zoektocht naar het familiewapen, vele varianten heb ik inmiddels gezien. Het meest dichtbij kwam een wapen van een familie op Cyprus, maar het moet sluitend zijn, heel dichtbij is een andere achternaam. Ik zou er een project van kunnen maken maar iets houdt me tegen, niet alles behoeft een podium en de stille zoektocht heeft mijn voorkeur. Het is van een vrouw, dat is te zien aan de vorm van de ring, in gedachte heb ik al vaak bij haar aangebeld, verschillende vrouwen hebben opengedaan. De ene keer wordt het doosje uit mijn hand gegrist en wordt de deur voor mijn neus dichtgeslagen. Deze vrouw is boos, kwaad op mijn vondst dat haar terug doet denken aan de straf die ze kreeg voor het verliezen van de het erfstuk. Een andere keer wordt ik vriendelijk ontvangen door een chique dame in donkerblauwe kleding die vol ongeloof naar het teruggevonden familiestuk kijkt, ze raakt het nog niet aan. Meer scenario’s zitten in mijn hoofd; euforische, dramatische en minder opzienbarende. Meestal ben ik in Frankrijk, soms zak ik wat meer naar het zuiden. We liepen ooit op hetzelfde pad. Ik blijf zoeken en zal aanbellen als ik de naam bij de gravure heb gevonden, stoepenkijken kun je ook op internet.

Wat gebeurde er met het tientje? Ik kwam met het briefje aan mijn vinger uit het water en lichtte opgewonden mijn vondst toe waarop mijn moeder riep ‘trakteren!’. En zo gebeurde het. Het geld werd op de handdoek in de zon gedroogd en met twee handen vol ijsjes keerde ik trots terug naar het strand, zelf betaald. Het verwonderend cirkelen rond het drijvende tientje is een van de meest vreemde ervaringen uit mijn jeugd.

 

© Karin van Pinxteren, 26 oktober 2014

 

Ring zonder vinger | Nachtportier | Karin van Pinxteren