Pontdichter

Twintig streepjes in het hout, Wáng Zhen is zijn eenentwintigste jaar ingegaan als pontvaarder. Hij is nu 47, een nietszeggende leeftijd, kwalen dienen zich aan. Kwalen zeuren en hij houdt niet van gezeur, intussen schuift hij zijn boot behendig op het zand. Slechts een passagier, het is mevrouw Liù, een knikje, ze spreekt nooit. Zhen vindt het aangenaam als mensen niet praten, het liefst zegt hij zelf ook niets, mevrouw Liù is een fijne passagier. Hij wacht nog even, legt zijn gekruiste spanen neer en slaat de mouwen van zijn blouse om, het wordt een warme dag. Het dragen van gestreken blouses is zijn houvast, het tilt hem boven zijn geringe bestaan uit, iedere dag een schone.

Met een geoefende stoot lost hij de boot van de oever en glijdt het water op. De rivier is niet breed, zo’n dertig meter zal het zijn. Door de jaren heen zijn de oevers licht verschoven maar of het nu breder of smaller is geworden zou hij niet kunnen zeggen. ‘Je groeit met de dingen mee, verschillen zijn amorf’, denkt hij hardop. Verschrikt kijkt mevrouw Liù hem aan. Even wisselen ze een blik, Zhen kijkt snel weg, wat was dat nu? Waarom heb ik dat hardop gezegd? En klopt het wel? Ik moet erbij blijven, ik ben pontvaarder, dat is een grote verantwoordelijkheid, ik moet niet gaan dromen. Het is zijn meest moeilijk te bedwingen eigenschap. Zhen is altijd een dromer geweest, maar waarover hij droomt kan hij niet benoemen. Het is alsof hij van buitenaf bestaat én van binnenuit, die hoedanigheden lopen door elkaar, hij mengt de dingen, dan spreken zijn ogen, niemand die het hoort.

Om niet gek te worden van de monotone beweging heeft hij zich voorgesteld dat hij met zijn overtocht de oevers aan elkaar naait. Nadat de laatste passagier is uitgestapt valt de draad in het water om te worden meegenomen door de stroom. In het begin stelde hij zich een lange draad voor maar al snel had hij een dam gestikt en voer hij over een wollen streng. Dat was niet prettig maar op zich was het fijn om bij het varen iets te bedenken, een eigen beeld te scheppen. Met het loslaten van de gedachte over de dichtgenaaide rivier bedacht hij een variant in de oplossing van de eenmalige draad; iedere overtocht rijgt hij de oevers opnieuw aan elkaar. Onder zijn blote voeten kan hij de voorgestelde draad voelen, het is niet permanent maar toch constructief.

Naast de zitplank bewaart hij een boekje waarin hij zinnen opschrijft als hij moet wachten. De mensen denken dat hij zijn overtochten bijhoudt maar dat is helemaal niet waar, hij schrijft over hen, niet persoonlijk maar over dingen van hen die hem inzicht geven of dingen waardoor er een beeld ontstaat van en bij het bestaan. Zo heeft zijn leven meer land, zo hebben de passagiers inhoud en de boot ook. Thuis leest hij, onder andere heeft hij de Chinese vertaling gelezen van een boekje dat hij op de bodem vond met daarin wat je bezit is op weg naar anderen, het zou Chinees kunnen zijn. De zin vaart sindsdien mee, geeft gewicht aan zijn werk, een waardevermeerdering. Er was nog een zin, al dat hout bij de haard voor één vuur, warmte vergt jaren groei, het tweede deel is mooi én waar denkt Zhen, dat tweede deel kan op zichzelf staan, hij kan zijn vriendschappen op een hand tellen.

Een toeriste, Zhen zet haar over. Hoe het komt weet hij niet maar hun blikken kruisen elkaar, ze blijft hangen, Zhen ook, dat heeft hij nooit, zorgvuldig weet hij blikken altijd te vermijden. De eerste keer zegt ze niets, de tweede keer kijkt ze vriendelijk en zoekt bewust zijn oogopslag, Zhen wordt er zenuwachtig van, of eigenlijk opgewonden, hij moet kijken. Hij ziet geen kleur, geen vorm, eerder een stem. De derde keer heeft Zhen al naar haar uitgekeken. Zal ze komen? Je weet het nooit met toeristen, misschien heeft ze een andere weg gevonden. Dan verschijnt ze aan de oever, over een minuut meert hij aan. Hij mag niets laten merken ook niet aan de andere passagiers. Wat is er gebeurd, wat doen die ogen? Ogen kunnen niet praten, tenminste niet hardop, maar toch hebben ze taal. Ze stapt in en vertelt dat ze uit Nederland komt, Willem Hussem ook denkt Zhen, ze komt uit het land van de mooie zinnen, die taal bloeit, de zinnen krijgen door haar de gestalte van een vrouw. Het is een vreemde transformatie omdat hij deze vrouw niet kent, de zinnen met haar samenvallen en haar blik gereserveerdheid laat overgaan in kachels.

De vierde keer heeft ze een koffer bij zich, Zhen hoeft het niet te vragen. ‘Ben je dichter?’ vraagt ze hem. ‘Of schrijf je?’. Hoe kan ze dat nu weten? Dichten niet, ik maakt notities. ‘Ik noteer’, zegt hij. ‘Ah, ik dacht het al, ik zie tekens in je ogen, zinnen die voorbij komen’. ‘Mag ik het lezen?’. ‘Dat doe ik thuis’, liegt Zhen, ‘water en papier gaat niet samen’. ‘Jammer’, zegt ze, ‘ik ben nieuwsgierig, ik heb je pontdichter genoemd’. Zhen zwijgt. Pontdichter? Het is overdreven, je zou het pontnotities kunnen noemen, maar welke taal hebben de ogen gesproken dat deze vrouw weet dat hij schrijft? En nu gaat het weg om nooit meer terug te komen. Hij nadert de oever. Meer dan een korte groet heeft hij zo meteen niet in zijn mars. De draad trilt, hij is een kluns in afscheid nemen, waarom kan hij toch geen afscheid nemen, uitbundig uitgesproken, met bijbehorende lichamelijke groet? Hij is onmachtig en dat wil hij niet tonen, hij wil niets tonen maar eigenlijk ook wel, hij wil uitroepen dat hij heeft genoten van haar aanwezigheid en haar aanraken, discreet. Maar dat kan hij niet, als kind kon hij dat al niet en daarna leert een mens het nooit meer. Bewegingen worden alleen maar kleiner als je ouder wordt.

Zhen kijkt haar onrustig na als ze uitstapt, zwaait en haar weg gaat. Niemand, hij pakt zijn boekje en schrijft:

 

pontdichter rijg oevers

elkaar eenmaal

vertalen wij

 

 

 

© Karin van Pinxteren, 28 januari 2015

Pontdichter | Nachtportier| Karin van Pinxteren